Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/74036127.webp
missen
De man heeft zijn trein gemist.
perder
O homem perdeu seu trem.
cms/verbs-webp/123203853.webp
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
causar
O álcool pode causar dores de cabeça.
cms/verbs-webp/93792533.webp
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
significar
O que este brasão no chão significa?
cms/verbs-webp/34567067.webp
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
procurar
A polícia está procurando o criminoso.
cms/verbs-webp/124320643.webp
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
achar difícil
Ambos acham difícil dizer adeus.
cms/verbs-webp/120254624.webp
leiden
Hij leidt graag een team.
liderar
Ele gosta de liderar uma equipe.
cms/verbs-webp/71612101.webp
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
entrar
O metrô acaba de entrar na estação.
cms/verbs-webp/124525016.webp
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
ficar para trás
O tempo de sua juventude fica muito atrás.
cms/verbs-webp/104167534.webp
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
possuir
Eu possuo um carro esportivo vermelho.
cms/verbs-webp/116067426.webp
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
fugir
Todos fugiram do fogo.
cms/verbs-webp/118253410.webp
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
gastar
Ela gastou todo o seu dinheiro.
cms/verbs-webp/47802599.webp
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
preferir
Muitas crianças preferem doces a coisas saudáveis.