Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)

chutar
Cuidado, o cavalo pode chutar!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!

passar a noite
Estamos passando a noite no carro.
overnachten
We overnachten in de auto.

omitir
Você pode omitir o açúcar no chá.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.

pagar
Ela paga online com um cartão de crédito.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.

deitar
As crianças estão deitadas juntas na grama.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.

explorar
Os humanos querem explorar Marte.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.

tocar
Quem tocou a campainha?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?

estudar
As meninas gostam de estudar juntas.
studeren
De meisjes studeren graag samen.

esperar ansiosamente
As crianças sempre esperam ansiosamente pela neve.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.

economizar
Você economiza dinheiro quando diminui a temperatura do ambiente.
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.

levar
A mãe leva a filha de volta para casa.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
