Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
sleep in
They want to finally sleep in for one night.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
throw
He throws his computer angrily onto the floor.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
forget
She doesn’t want to forget the past.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
sell
The traders are selling many goods.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
walk
He likes to walk in the forest.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
vote
The voters are voting on their future today.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
run away
Some kids run away from home.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
translate
He can translate between six languages.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
overcome
The athletes overcome the waterfall.
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
buy
They want to buy a house.
kopen
Ze willen een huis kopen.
love
She loves her cat very much.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.