Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/65840237.webp
enviar
Me enviarán los productos en un paquete.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
cms/verbs-webp/104759694.webp
esperar
Muchos esperan un futuro mejor en Europa.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
cms/verbs-webp/120220195.webp
vender
Los comerciantes están vendiendo muchos productos.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/84472893.webp
montar
A los niños les gusta montar bicicletas o patinetes.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
cms/verbs-webp/129300323.webp
tocar
El agricultor toca sus plantas.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
cms/verbs-webp/120282615.webp
invertir
¿En qué deberíamos invertir nuestro dinero?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
cms/verbs-webp/119425480.webp
pensar
Tienes que pensar mucho en el ajedrez.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
cms/verbs-webp/63244437.webp
cubrir
Ella cubre su cara.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
cms/verbs-webp/47241989.webp
buscar
Lo que no sabes, tienes que buscarlo.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
cms/verbs-webp/96586059.webp
despedir
El jefe lo ha despedido.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
cms/verbs-webp/81025050.webp
luchar
Los atletas luchan entre sí.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
cms/verbs-webp/90287300.webp
sonar
¿Oyes sonar la campana?
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?