Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans

enviar
Me enviarán los productos en un paquete.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.

esperar
Muchos esperan un futuro mejor en Europa.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.

vender
Los comerciantes están vendiendo muchos productos.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.

montar
A los niños les gusta montar bicicletas o patinetes.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.

tocar
El agricultor toca sus plantas.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.

invertir
¿En qué deberíamos invertir nuestro dinero?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?

pensar
Tienes que pensar mucho en el ajedrez.
denken
Je moet veel denken bij schaken.

cubrir
Ella cubre su cara.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.

buscar
Lo que no sabes, tienes que buscarlo.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.

despedir
El jefe lo ha despedido.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.

luchar
Los atletas luchan entre sí.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
