Woordenlijst
Leer werkwoorden – Catalaans
pintar
Ella s’ha pintat les mans.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
llençar
Ell trepitja una pell de plàtan llençada al terra.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
portar de tornada
La mare porta la filla de tornada a casa.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
venir
La sort està venint cap a tu.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
entrenar
Els atletes professionals han d’entrenar cada dia.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
aprovar
Els estudiants han aprovat l’examen.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
començar
Amb el matrimoni comença una nova vida.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
extingir-se
Molts animals s’han extingit avui.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
buscar
La policia està buscant el culpable.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
sortir
A les noies els agrada sortir juntes.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
marcar
Ella va agafar el telèfon i va marcar el número.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.