Woordenlijst

Leer werkwoorden – Pools

cms/verbs-webp/55788145.webp
przykrywać
Dziecko przykrywa uszy.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
cms/verbs-webp/105504873.webp
chcieć opuścić
Ona chce opuścić swój hotel.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
cms/verbs-webp/132030267.webp
konsumować
Ona konsumuje kawałek ciasta.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
cms/verbs-webp/119269664.webp
zdać
Studenci zdali egzamin.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
cms/verbs-webp/33493362.webp
oddzwonić
Proszę do mnie oddzwonić jutro.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
cms/verbs-webp/70055731.webp
odjeżdżać
Pociąg odjeżdża.
vertrekken
De trein vertrekt.
cms/verbs-webp/109542274.webp
wpuszczać
Czy uchodźcy powinni być wpuszczani na granicach?
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
cms/verbs-webp/120624757.webp
chodzić
Lubi chodzić po lesie.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
cms/verbs-webp/62175833.webp
odkrywać
Marynarze odkryli nową ziemię.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
cms/verbs-webp/58993404.webp
wracać do domu
On wraca do domu po pracy.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
cms/verbs-webp/123619164.webp
pływać
Regularnie pływa.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
cms/verbs-webp/100634207.webp
tłumaczyć
Ona tłumaczy mu, jak działa to urządzenie.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.