Woordenlijst
Leer werkwoorden – Litouws
tikėti
Daug žmonių tiki Dievu.
geloven
Veel mensen geloven in God.
praeiti
Laikas kartais praeina lėtai.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
priprasti
Vaikams reikia priprasti šepetėti dantis.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
pastatyti
Dviračiai yra pastatyti priešais namą.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
išvykti
Laivas išplaukia iš uosto.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
prarasti regėjimą
Žmogus su ženkleliais prarado regėjimą.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
sudegti
Mėsa negali sudegti ant grilio.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
gulti
Vaikai guli žolėje kartu.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
turėti po ranka
Vaikai turi po ranka tik kišenpinigius.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
nešti
Asilas neša sunkią naštą.
dragen
De ezel draagt een zware last.
dalyvauti
Jis dalyvauja lenktynėse.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.