Woordenlijst

Leer werkwoorden – Litouws

cms/verbs-webp/119417660.webp
tikėti
Daug žmonių tiki Dievu.
geloven
Veel mensen geloven in God.
cms/verbs-webp/90539620.webp
praeiti
Laikas kartais praeina lėtai.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
cms/verbs-webp/17624512.webp
priprasti
Vaikams reikia priprasti šepetėti dantis.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
cms/verbs-webp/92612369.webp
pastatyti
Dviračiai yra pastatyti priešais namą.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
cms/verbs-webp/22225381.webp
išvykti
Laivas išplaukia iš uosto.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
cms/verbs-webp/47969540.webp
prarasti regėjimą
Žmogus su ženkleliais prarado regėjimą.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
cms/verbs-webp/114052356.webp
sudegti
Mėsa negali sudegti ant grilio.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
cms/verbs-webp/61389443.webp
gulti
Vaikai guli žolėje kartu.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
cms/verbs-webp/19584241.webp
turėti po ranka
Vaikai turi po ranka tik kišenpinigius.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
cms/verbs-webp/89025699.webp
nešti
Asilas neša sunkią naštą.
dragen
De ezel draagt een zware last.
cms/verbs-webp/95543026.webp
dalyvauti
Jis dalyvauja lenktynėse.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
cms/verbs-webp/67232565.webp
sutarti
Kaimynai negalėjo sutarti dėl spalvos.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.