Woordenlijst
Leer werkwoorden – Zweeds
dra
Han drar släden.
trekken
Hij trekt de slee.
skriva under
Han skrev under kontraktet.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
stava
Barnen lär sig stava.
spellen
De kinderen leren spellen.
sakna
Jag kommer att sakna dig så mycket!
missen
Ik zal je zo erg missen!
få en tur
Vänta, du får din tur snart!
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
utlösa
Röken utlöste larmet.
activeren
De rook activeerde het alarm.
leka
Barnet föredrar att leka ensam.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
äcklas
Hon äcklas av spindlar.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
stoppa
Poliskvinnan stoppar bilen.
stoppen
De agente stopt de auto.
snöa
Det snöade mycket idag.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
låta
Hennes röst låter fantastiskt.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.