Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/30314729.webp
smettere
Voglio smettere di fumare da ora!
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
cms/verbs-webp/92266224.webp
spegnere
Lei spegne l’elettricità.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
cms/verbs-webp/102631405.webp
dimenticare
Lei non vuole dimenticare il passato.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
cms/verbs-webp/132125626.webp
persuadere
Spesso deve persuadere sua figlia a mangiare.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
cms/verbs-webp/122153910.webp
dividere
Si dividono le faccende domestiche tra loro.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controllare
Il dentista controlla i denti.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
cms/verbs-webp/85677113.webp
usare
Lei usa prodotti cosmetici quotidianamente.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
cms/verbs-webp/94482705.webp
tradurre
Lui può tradurre tra sei lingue.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
cms/verbs-webp/115520617.webp
investire
Un ciclista è stato investito da un’auto.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
cms/verbs-webp/125116470.webp
fidarsi
Ci fidiamo tutti l’uno dell’altro.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
cms/verbs-webp/88615590.webp
descrivere
Come si possono descrivere i colori?
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
cms/verbs-webp/96628863.webp
risparmiare
La ragazza sta risparmiando il suo denaro da tasca.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.