Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
passare
A volte il tempo passa lentamente.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
rimuovere
L’artigiano ha rimosso le vecchie piastrelle.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
trovare alloggio
Abbiamo trovato alloggio in un hotel economico.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
scappare
Tutti scappavano dal fuoco.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
creare
Ha creato un modello per la casa.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
lavare
Non mi piace lavare i piatti.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
provare
La madre prova molto amore per suo figlio.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
mentire
A volte si deve mentire in una situazione di emergenza.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
allontanare
Un cigno ne allontana un altro.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
riaccompagnare
La madre riaccompagna a casa la figlia.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
mescolare
Puoi fare un’insalata sana mescolando verdure.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.