Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/90539620.webp
passare
A volte il tempo passa lentamente.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
cms/verbs-webp/77572541.webp
rimuovere
L’artigiano ha rimosso le vecchie piastrelle.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
cms/verbs-webp/110401854.webp
trovare alloggio
Abbiamo trovato alloggio in un hotel economico.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
cms/verbs-webp/116067426.webp
scappare
Tutti scappavano dal fuoco.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
cms/verbs-webp/110233879.webp
creare
Ha creato un modello per la casa.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
cms/verbs-webp/104476632.webp
lavare
Non mi piace lavare i piatti.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
cms/verbs-webp/106665920.webp
provare
La madre prova molto amore per suo figlio.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
cms/verbs-webp/99725221.webp
mentire
A volte si deve mentire in una situazione di emergenza.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
cms/verbs-webp/109657074.webp
allontanare
Un cigno ne allontana un altro.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
cms/verbs-webp/111615154.webp
riaccompagnare
La madre riaccompagna a casa la figlia.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
cms/verbs-webp/120200094.webp
mescolare
Puoi fare un’insalata sana mescolando verdure.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
cms/verbs-webp/120128475.webp
pensare
Lei deve sempre pensare a lui.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.