Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans

connaître
Elle connaît presque par cœur de nombreux livres.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.

se lever
Elle ne peut plus se lever seule.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.

passer
Les médecins passent chez le patient tous les jours.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.

liquider
La marchandise est en liquidation.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.

sautiller
L’enfant sautille joyeusement.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.

toucher
Le fermier touche ses plantes.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.

défendre
Les deux amis veulent toujours se défendre mutuellement.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.

chasser
Un cygne en chasse un autre.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.

suggérer
La femme suggère quelque chose à son amie.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.

peindre
Elle a peint ses mains.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.

s’exprimer
Celui qui sait quelque chose peut s’exprimer en classe.
opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
