Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/120452848.webp
connaître
Elle connaît presque par cœur de nombreux livres.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
cms/verbs-webp/106088706.webp
se lever
Elle ne peut plus se lever seule.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
cms/verbs-webp/123648488.webp
passer
Les médecins passent chez le patient tous les jours.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
cms/verbs-webp/853759.webp
liquider
La marchandise est en liquidation.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
cms/verbs-webp/60395424.webp
sautiller
L’enfant sautille joyeusement.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
cms/verbs-webp/129300323.webp
toucher
Le fermier touche ses plantes.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
cms/verbs-webp/86996301.webp
défendre
Les deux amis veulent toujours se défendre mutuellement.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
cms/verbs-webp/109657074.webp
chasser
Un cygne en chasse un autre.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
cms/verbs-webp/34725682.webp
suggérer
La femme suggère quelque chose à son amie.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
cms/verbs-webp/101742573.webp
peindre
Elle a peint ses mains.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
cms/verbs-webp/68212972.webp
s’exprimer
Celui qui sait quelque chose peut s’exprimer en classe.
opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
cms/verbs-webp/63868016.webp
rendre
Le chien rend le jouet.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.