Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)

estacionar
As bicicletas estão estacionadas na frente da casa.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.

amar
Ela realmente ama seu cavalo.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.

acontecer
O funeral aconteceu anteontem.
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.

deixar
Os donos deixam seus cachorros comigo para um passeio.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.

passear
A família passeia aos domingos.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.

superar
Os atletas superaram a cachoeira.
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.

confirmar
Ela pôde confirmar a boa notícia ao marido.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.

ouvir
Ele está ouvindo ela.
luisteren
Hij luistert naar haar.

salvar
Os médicos conseguiram salvar sua vida.
redden
De dokters konden zijn leven redden.

conduzir
Os carros conduzem em círculo.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.

provar
O chef principal prova a sopa.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
