Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)

sentir nojo
Ela sente nojo de aranhas.
walgen van
Ze walgde van spinnen.

deixar sem palavras
A surpresa a deixou sem palavras.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.

pensar
Ela sempre tem que pensar nele.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.

começar
Uma nova vida começa com o casamento.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.

sentir falta
Ele sente muita falta de sua namorada.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.

discar
Ela pegou o telefone e discou o número.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.

brincar
A criança prefere brincar sozinha.
spelen
Het kind speelt liever alleen.

chegar
A sorte está chegando até você.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.

testar
O carro está sendo testado na oficina.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.

misturar
O pintor mistura as cores.
mengen
De schilder mengt de kleuren.

entender
Não se pode entender tudo sobre computadores.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
