Woordenlijst

Leer werkwoorden – Portugees (PT)

cms/verbs-webp/38753106.webp
falar
Não se deve falar muito alto no cinema.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
cms/verbs-webp/100585293.webp
virar-se
Você tem que virar o carro aqui.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
cms/verbs-webp/82604141.webp
jogar fora
Ele pisa em uma casca de banana jogada fora.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
cms/verbs-webp/100565199.webp
tomar café da manhã
Preferimos tomar café da manhã na cama.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
cms/verbs-webp/123179881.webp
praticar
Ele pratica todos os dias com seu skate.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
cms/verbs-webp/110056418.webp
discursar
O político está discursando na frente de muitos estudantes.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
cms/verbs-webp/120515454.webp
alimentar
As crianças estão alimentando o cavalo.
voeden
De kinderen voeden het paard.
cms/verbs-webp/116877927.webp
montar
Minha filha quer montar seu apartamento.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
cms/verbs-webp/91997551.webp
entender
Não se pode entender tudo sobre computadores.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
cms/verbs-webp/123203853.webp
causar
O álcool pode causar dores de cabeça.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
cms/verbs-webp/112286562.webp
trabalhar
Ela trabalha melhor que um homem.
werken
Ze werkt beter dan een man.
cms/verbs-webp/114052356.webp
queimar
A carne não deve queimar na grelha.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.