Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)

liquidar
A mercadoria está sendo liquidada.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.

deixar entrar
Estava nevando lá fora e nós os deixamos entrar.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.

mostrar
Posso mostrar um visto no meu passaporte.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.

estudar
As meninas gostam de estudar juntas.
studeren
De meisjes studeren graag samen.

beber
Ela bebe chá.
drinken
Ze drinkt thee.

marcar
A data está sendo marcada.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.

sair
Muitos ingleses queriam sair da UE.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.

pintar
Ela pintou suas mãos.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.

parar
A policial para o carro.
stoppen
De agente stopt de auto.

aceitar
Cartões de crédito são aceitos aqui.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.

estacionar
As bicicletas estão estacionadas na frente da casa.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
