Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/119235815.webp
aimer
Elle aime vraiment son cheval.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
cms/verbs-webp/36190839.webp
combattre
Les pompiers combattent le feu depuis les airs.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
cms/verbs-webp/80325151.webp
accomplir
Ils ont accompli la tâche difficile.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
cms/verbs-webp/123953850.webp
sauver
Les médecins ont pu lui sauver la vie.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
cms/verbs-webp/112444566.webp
parler à
Quelqu’un devrait lui parler ; il est si seul.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
cms/verbs-webp/67095816.webp
emménager ensemble
Les deux prévoient d’emménager ensemble bientôt.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/122224023.webp
reculer
Bientôt, nous devrons reculer l’horloge.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
cms/verbs-webp/118596482.webp
chercher
Je cherche des champignons en automne.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
cms/verbs-webp/118064351.webp
éviter
Il doit éviter les noix.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
cms/verbs-webp/35137215.webp
battre
Les parents ne devraient pas battre leurs enfants.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
cms/verbs-webp/81885081.webp
brûler
Il a brûlé une allumette.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
cms/verbs-webp/122079435.webp
augmenter
L’entreprise a augmenté ses revenus.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.