Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais

duwen
Ze duwen de man het water in.
pousser
Ils poussent l’homme dans l’eau.

tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
exposer
L’art moderne est exposé ici.

uitkomen
Wat komt er uit het ei?
sortir
Qu’est-ce qui sort de l’œuf ?

voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
fournir
Des chaises longues sont fournies pour les vacanciers.

beginnen
De soldaten beginnen.
commencer
Les soldats commencent.

teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
retourner
Il ne peut pas retourner seul.

uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
effectuer
Il effectue la réparation.

ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
découvrir
Les marins ont découvert une nouvelle terre.

zingen
De kinderen zingen een lied.
chanter
Les enfants chantent une chanson.

uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
démonter
Notre fils démonte tout!

zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
prendre soin
Notre fils prend très soin de sa nouvelle voiture.
