Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)

move in together
The two are planning to move in together soon.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.

understand
I can’t understand you!
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!

harvest
We harvested a lot of wine.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.

exercise restraint
I can’t spend too much money; I have to exercise restraint.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.

listen
He likes to listen to his pregnant wife’s belly.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.

ride
Kids like to ride bikes or scooters.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.

come easy
Surfing comes easily to him.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.

spend the night
We are spending the night in the car.
overnachten
We overnachten in de auto.

increase
The company has increased its revenue.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.

walk
This path must not be walked.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.

squeeze out
She squeezes out the lemon.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
