Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans

extender
Él extendió los brazos de par en par.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.

fortalecer
La gimnasia fortalece los músculos.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.

disfrutar
Ella disfruta de la vida.
genieten
Ze geniet van het leven.

explicar
El abuelo le explica el mundo a su nieto.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.

extrañar
¡Te extrañaré mucho!
missen
Ik zal je zo erg missen!

rechazar
El niño rechaza su comida.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.

preferir
Nuestra hija no lee libros; prefiere su teléfono.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.

patear
En artes marciales, debes poder patear bien.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.

revisar
El dentista revisa los dientes.
controleren
De tandarts controleert de tanden.

aprobar
Los estudiantes aprobaron el examen.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.

hablar
No se debe hablar demasiado alto en el cine.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
