Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/84314162.webp
extender
Él extendió los brazos de par en par.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
cms/verbs-webp/121928809.webp
fortalecer
La gimnasia fortalece los músculos.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
cms/verbs-webp/118483894.webp
disfrutar
Ella disfruta de la vida.
genieten
Ze geniet van het leven.
cms/verbs-webp/118826642.webp
explicar
El abuelo le explica el mundo a su nieto.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
cms/verbs-webp/120801514.webp
extrañar
¡Te extrañaré mucho!
missen
Ik zal je zo erg missen!
cms/verbs-webp/101556029.webp
rechazar
El niño rechaza su comida.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
cms/verbs-webp/127554899.webp
preferir
Nuestra hija no lee libros; prefiere su teléfono.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
cms/verbs-webp/105875674.webp
patear
En artes marciales, debes poder patear bien.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
cms/verbs-webp/118549726.webp
revisar
El dentista revisa los dientes.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
cms/verbs-webp/119269664.webp
aprobar
Los estudiantes aprobaron el examen.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
cms/verbs-webp/38753106.webp
hablar
No se debe hablar demasiado alto en el cine.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
cms/verbs-webp/82095350.webp
empujar
La enfermera empuja al paciente en una silla de ruedas.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.