Woordenlijst
Leer werkwoorden – Litouws
pravažiuoti
Traukinys pravažiuoja pro šalia mūsų.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
pasiklysti
Aš pasiklydau kelyje.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
parduoti
Prekybininkai parduoda daug prekių.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
suprasti
Ne viską galima suprasti apie kompiuterius.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
pamiegoti
Jie nori pagaliau pamiegoti bent vieną naktį.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
pakaboti
Hamakas pakabotas nuo lubų.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
išvykti
Traukinys išvyksta.
vertrekken
De trein vertrekt.
nešti
Jie neša savo vaikus ant nugarų.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
priminti
Kompiuteris man primena mano susitikimus.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
ieškoti
Policija ieško nusikaltėlio.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
gaminti
Robotais galima gaminti pigiau.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.