Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)

preparar
Ela está preparando um bolo.
bereiden
Ze bereidt een taart.

permitir
Não se deve permitir a depressão.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.

assinar
Ele assinou o contrato.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.

recusar
A criança recusa sua comida.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.

contratar
O candidato foi contratado.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.

causar
Muitas pessoas rapidamente causam caos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.

conduzir
Ele conduz a menina pela mão.
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.

atropelar
Um ciclista foi atropelado por um carro.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.

escrever por toda parte
Os artistas escreveram por toda a parede.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.

ignorar
A criança ignora as palavras de sua mãe.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.

pular
A criança está pulando feliz.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
