Woordenlijst
Leer werkwoorden – Lets

sākt dzīvot kopā
Abi plāno drīz sākt dzīvot kopā.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.

atnest
Suns atnes rotaļlietu.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.

imitēt
Bērns imitē lidmašīnu.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.

apstāties
Ārsti ik dienu apstājas pie pacienta.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.

atsaukties
Skolotājs atsaucas uz piemēru uz tāfeles.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.

karāties
Abi karājas uz zara.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.

uzrakstīt
Viņš man uzrakstīja pagājušajā nedēļā.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.

pierādīt
Viņš vēlas pierādīt matemātisko formulu.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.

nepaspēt
Vīrietis nepaspēja uz vilcienu.
missen
De man heeft zijn trein gemist.

pagriezt
Viņa pagriež gaļu.
draaien
Ze draait het vlees.

aizbēgt
Mūsu kaķis aizbēga.
weglopen
Onze kat is weggelopen.
