Woordenlijst
Leer werkwoorden – Duits

besichtigen
Sie besichtigt Paris.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.

investieren
In was sollen wir unser Geld investieren?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?

behüten
Die Mutter behütet ihr Kind.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.

malen
Ich habe ein schönes Bild für dich gemalt!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!

gehören
Meine Frau gehört zu mir.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.

sich verlaufen
Im Wald kann man sich leicht verlaufen.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.

vorlassen
Niemand will ihn an der Kasse im Supermarkt vorlassen.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.

stehenlassen
Heute müssen viele ihr Auto stehenlassen.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.

losfahren
Als die Ampel umsprang, fuhren die Autos los.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.

fordern
Er fordert Schadensersatz.
eisen
Hij eist compensatie.

ausbreiten
Er breitet die Arme weit aus.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
