Woordenlijst

Leer werkwoorden – Duits

cms/verbs-webp/118003321.webp
besichtigen
Sie besichtigt Paris.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
cms/verbs-webp/120282615.webp
investieren
In was sollen wir unser Geld investieren?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
cms/verbs-webp/74176286.webp
behüten
Die Mutter behütet ihr Kind.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
cms/verbs-webp/121112097.webp
malen
Ich habe ein schönes Bild für dich gemalt!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
cms/verbs-webp/27076371.webp
gehören
Meine Frau gehört zu mir.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
cms/verbs-webp/41935716.webp
sich verlaufen
Im Wald kann man sich leicht verlaufen.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
cms/verbs-webp/95655547.webp
vorlassen
Niemand will ihn an der Kasse im Supermarkt vorlassen.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
cms/verbs-webp/28642538.webp
stehenlassen
Heute müssen viele ihr Auto stehenlassen.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
cms/verbs-webp/75001292.webp
losfahren
Als die Ampel umsprang, fuhren die Autos los.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
cms/verbs-webp/58292283.webp
fordern
Er fordert Schadensersatz.
eisen
Hij eist compensatie.
cms/verbs-webp/84314162.webp
ausbreiten
Er breitet die Arme weit aus.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
cms/verbs-webp/87153988.webp
fördern
Wir müssen Alternativen zum Autoverkehr fördern.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.