Woordenlijst
Leer werkwoorden – Arabisch

سمح بالدخول
كانت تثلج خارجاً وسمحنا لهم بالدخول.
samah bialdukhul
kanat tathlij kharjaan wasamihna lahum bialdukhuli.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.

يحصل
يجب عليه الحصول على إذن بالغياب من الطبيب.
yahsul
yajib ealayh alhusul ealaa ‘iidhn bialghiab min altabibi.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.

تمارس
هي تمارس مهنة غير عادية.
tumaris
hi tumaris mihnatan ghayr eadiatin.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.

نظر
الجميع ينظرون إلى هواتفهم.
nazar
aljamie yanzurun ‘iilaa hawatifihim.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.

يكره
الصبيان الاثنان يكرهان بعضهما البعض.
yakrah
alsibyan aliathnan yakrahan baedahuma albaeda.
haten
De twee jongens haten elkaar.

رن
من الذي رن الجرس الباب؟
rana
man aladhi ran aljars albaba?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?

عرف
ليس لديها معرفة بالكهرباء.
eurf
lays ladayha maerifat bialkahraba‘i.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.

رسمت
رسمت لك صورة جميلة!
rasamat
rasamt lak surat jamilatun!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!

يناقشون
يناقشون خططهم.
yunaqishun
yunaqishun khutatahum.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.

يجب الانتباه
يجب الانتباه إلى علامات الطريق.
yajib aliantibah
yajib aliantibah ‘iilaa ealamat altariqi.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.

يجتمعون
من الجميل عندما يجتمع شخصان.
yajtamieun
min aljamiil eindama yajtamie shakhsani.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
