Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans

ontslaan
My baas het my ontslaan.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.

optel
Ons moet al die appels optel.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.

vergeet
Sy wil nie die verlede vergeet nie.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.

lui
Wie het die deurbel gelui?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?

kyk na
Hy kyk na wie daar woon.
controleren
Hij controleert wie daar woont.

draai
Jy mag links draai.
draaien
Je mag naar links draaien.

terugstel
Binnekort moet ons die klok weer terugstel.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.

sterf
Baie mense sterf in flieks.
sterven
Veel mensen sterven in films.

soen
Hy soen die baba.
kussen
Hij kust de baby.

draai na
Hulle draai na mekaar toe.
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.

vermeerder
Die bevolking het aansienlik vermeerder.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
