Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
come easy
Surfing comes easily to him.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
turn off
She turns off the alarm clock.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
ignore
The child ignores his mother’s words.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
carry out
He carries out the repair.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
order
She orders breakfast for herself.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
cause
Sugar causes many diseases.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
prove
He wants to prove a mathematical formula.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
touch
He touched her tenderly.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
cut to size
The fabric is being cut to size.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
run away
Our son wanted to run away from home.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.