Woordenlijst

Leer werkwoorden – Hausa

cms/verbs-webp/67095816.webp
tare
Su biyu suna nufin su shiga cikin gida tare.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/92456427.webp
siye
Suna son siyar gida.
kopen
Ze willen een huis kopen.
cms/verbs-webp/117311654.webp
kai
Suna kai ‘ya‘yan su akan maki.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
cms/verbs-webp/102136622.webp
jefa
Yana jefa sled din.
trekken
Hij trekt de slee.
cms/verbs-webp/123211541.webp
kogi
Yau an yi kogi da yawa.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
cms/verbs-webp/17624512.webp
zama lafiya da
Yaran sun buƙata su zama lafiya da shan hannun su.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
cms/verbs-webp/117490230.webp
sayar
Ta sayar da abinci don kanta.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
cms/verbs-webp/97593982.webp
shirya
An shirya abinci mai dadi!
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
cms/verbs-webp/108991637.webp
ƙi
Ta ƙi aiki nta.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
cms/verbs-webp/84314162.webp
raba
Ya raba hannunsa da zurfi.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
cms/verbs-webp/98977786.webp
suna
Nawa kasa zaka iya suna?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
cms/verbs-webp/99769691.webp
wuce
Motar jirgin ya na wuce a kusa da mu.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.