Ordforråd
Lær verb – Dutch
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
henge
Begge henger på ein grein.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
bruke pengar
Vi må bruke mykje pengar på reparasjonar.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
gjenta
Papegøyen min kan gjenta namnet mitt.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
vakne
Han har nettopp vakna.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
transportere
Vi transporterer syklane på biltaket.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
tilby
Strandstolar blir tilbydde for ferierande.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
kjempe
Brannvesenet kjemper mot brannen frå lufta.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
springe ut
Ho spring ut med dei nye skoa.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
kvitte seg med
Desse gamle gummidekka må kvittast separat.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
gå tur
Familien går på tur om søndagane.
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
tilgi
Ho kan aldri tilgi han for det!