Ordforråd
Lær verb – Dutch
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
ville gå ut
Barnet vil ut.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkere
Bilane er parkerte i underjordisk garasje.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
springe ut
Ho spring ut med dei nye skoa.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
sove lenge
Dei vil endeleg sove lenge ein natt.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
redusere
Eg må absolutt redusere oppvarmingskostnadane mine.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
finne igjen
Eg kunne ikkje finne passet mitt etter flyttinga.
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
førebu
Ho førebudde han stor glede.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
jage vekk
Ein svane jager vekk ein annan.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
rope
Om du vil bli høyrt, må du rope meldinga di høgt.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
byrje
Skulen er akkurat i ferd med å byrje for ungane.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
selje ut
Varene blir seld ut.