Ordforråd
Lær verb – Dutch
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
blande
Ymse ingrediensar må blandast.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
passere
Middelalderperioden har passert.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
samle
Språkkurset samler studentar frå heile verda.
raden
Je moet raden wie ik ben!
gjette
Du må gjette kven eg er!
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
opne
Kan du vere så snill og opne denne boksen for meg?
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
slå
Foreldre bør ikkje slå barna sine.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
reise med tog
Eg vil reise dit med tog.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
velge ut
Ho velger ut eit nytt par med solbriller.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
forlate
Mange engelskmenn ville forlate EU.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
garantere
Forsikring garanterar vern i tilfelle ulykker.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
sitje
Mange folk sit i rommet.