Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais

brengen
De koerier brengt een pakketje.
apporter
Le messager apporte un colis.

ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
découvrir
Les marins ont découvert une nouvelle terre.

hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
espérer
Beaucoup espèrent un avenir meilleur en Europe.

verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
arracher
Les mauvaises herbes doivent être arrachées.

schilderen
Hij schildert de muur wit.
peindre
Il peint le mur en blanc.

terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
rappeler
Veuillez me rappeler demain.

annuleren
De vlucht is geannuleerd.
annuler
Le vol est annulé.

openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
ouvrir
Le coffre-fort peut être ouvert avec le code secret.

drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
boire
Les vaches boivent de l’eau de la rivière.

doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
fouiller
Le cambrioleur fouille la maison.

dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
