Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/125116470.webp
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
faire confiance
Nous nous faisons tous confiance.
cms/verbs-webp/86583061.webp
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
payer
Elle a payé par carte de crédit.
cms/verbs-webp/5135607.webp
verhuizen
De buurman verhuist.
déménager
Le voisin déménage.
cms/verbs-webp/78063066.webp
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
garder
Je garde mon argent dans ma table de nuit.
cms/verbs-webp/132125626.webp
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
persuader
Elle doit souvent persuader sa fille de manger.
cms/verbs-webp/41019722.webp
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
rentrer
Après les courses, les deux rentrent chez elles.
cms/verbs-webp/67035590.webp
springen
Hij sprong in het water.
sauter
Il a sauté dans l’eau.
cms/verbs-webp/99207030.webp
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
arriver
L’avion est arrivé à l’heure.
cms/verbs-webp/62069581.webp
sturen
Ik stuur je een brief.
envoyer
Je t’envoie une lettre.
cms/verbs-webp/84847414.webp
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
prendre soin
Notre fils prend très soin de sa nouvelle voiture.
cms/verbs-webp/3819016.webp
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
rater
Il a raté l’occasion de marquer un but.
cms/verbs-webp/106665920.webp
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
ressentir
La mère ressent beaucoup d’amour pour son enfant.