Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais

vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
faire confiance
Nous nous faisons tous confiance.

betalen
Ze betaalde met een creditcard.
payer
Elle a payé par carte de crédit.

verhuizen
De buurman verhuist.
déménager
Le voisin déménage.

bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
garder
Je garde mon argent dans ma table de nuit.

overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
persuader
Elle doit souvent persuader sa fille de manger.

naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
rentrer
Après les courses, les deux rentrent chez elles.

springen
Hij sprong in het water.
sauter
Il a sauté dans l’eau.

aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
arriver
L’avion est arrivé à l’heure.

sturen
Ik stuur je een brief.
envoyer
Je t’envoie une lettre.

zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
prendre soin
Notre fils prend très soin de sa nouvelle voiture.

missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
rater
Il a raté l’occasion de marquer un but.
