Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais

weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
s’enfuir
Certains enfants s’enfuient de chez eux.

melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
se présenter
Tout le monde à bord se présente au capitaine.

gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
jeter
Il jette son ordinateur avec colère sur le sol.

vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
détruire
La tornade détruit de nombreuses maisons.

verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
arracher
Les mauvaises herbes doivent être arrachées.

samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
emménager ensemble
Les deux prévoient d’emménager ensemble bientôt.

uitzetten
Ze zet de wekker uit.
éteindre
Elle éteint le réveil.

voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
suggérer
La femme suggère quelque chose à son amie.

voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
passer
Le train passe devant nous.

stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
voter
On vote pour ou contre un candidat.

sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
neiger
Il a beaucoup neigé aujourd’hui.
