Vocabulaire

Apprendre les verbes – Néerlandais

cms/verbs-webp/91603141.webp
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
s’enfuir
Certains enfants s’enfuient de chez eux.
cms/verbs-webp/82845015.webp
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
se présenter
Tout le monde à bord se présente au capitaine.
cms/verbs-webp/44269155.webp
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
jeter
Il jette son ordinateur avec colère sur le sol.
cms/verbs-webp/106515783.webp
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
détruire
La tornade détruit de nombreuses maisons.
cms/verbs-webp/54608740.webp
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
arracher
Les mauvaises herbes doivent être arrachées.
cms/verbs-webp/67095816.webp
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
emménager ensemble
Les deux prévoient d’emménager ensemble bientôt.
cms/verbs-webp/109588921.webp
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
éteindre
Elle éteint le réveil.
cms/verbs-webp/34725682.webp
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
suggérer
La femme suggère quelque chose à son amie.
cms/verbs-webp/99769691.webp
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
passer
Le train passe devant nous.
cms/verbs-webp/95190323.webp
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
voter
On vote pour ou contre un candidat.
cms/verbs-webp/123211541.webp
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
neiger
Il a beaucoup neigé aujourd’hui.
cms/verbs-webp/112286562.webp
werken
Ze werkt beter dan een man.
travailler
Elle travaille mieux qu’un homme.