Slovník
Naučte se slovesa – holandština
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
lehnout si
Byli unavení a lehli si.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
zastavit
Musíte zastavit na červenou.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
trávit
Veškerý svůj volný čas tráví venku.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
obnovit
Malíř chce obnovit barvu zdi.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
napsat všude
Umělci napsali na celou zeď.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
dívat se na
Na dovolené jsem se díval na mnoho památek.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
brát
Musí brát spoustu léků.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
malovat
Namaloval jsem ti krásný obraz!
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
bojovat
Hasiči bojují s ohněm ze vzduchu.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
šlápnout
Nemohu šlápnout na zem s touto nohou.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
zabít
Buďte opatrní, s tou sekerou můžete někoho zabít!