Slovník
Naučte se příslovce – holandština

ook
De hond mag ook aan tafel zitten.
také
Pes smí také sedět u stolu.

in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
v
Jde dovnitř nebo ven?

half
Het glas is half leeg.
napůl
Sklenice je napůl prázdná.

veel
Ik lees inderdaad veel.
hodně
Opravdu hodně čtu.

nu
Moet ik hem nu bellen?
teď
Mám mu teď zavolat?

een beetje
Ik wil een beetje meer.
trochu
Chci trochu více.

vaak
Tornado‘s worden niet vaak gezien.
často
Tornáda se nevidí často.

genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
dost
Chce spát a má dost toho hluku.

daar
Het doel is daar.
tam
Cíl je tam.

erg
Het kind is erg hongerig.
velmi
Dítě je velmi hladové.

bijna
Het is bijna middernacht.
téměř
Je téměř půlnoc.
