Slovník
Naučte se slovesa – holandština
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
volat
Chlapec volá tak nahlas, jak může.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
zapsat
Musíte si zapsat heslo!
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
přepravit
Nákladní vůz přepravuje zboží.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
volat
Může volat pouze během své obědové pauzy.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
kontrolovat
Zubní lékař kontroluje zuby.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
dorazit
Mnoho lidí dorazí na dovolenou obytným automobilem.
missen
Ik zal je zo erg missen!
stýskat se
Bude mi po tobě tak stýskat!
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
pustit
Nesmíš pustit úchyt!
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
přiblížit se
Slimáci se k sobě přibližují.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
bojovat
Hasiči bojují s ohněm ze vzduchu.
activeren
De rook activeerde het alarm.
spustit
Kouř spustil poplach.