Slovník

Naučte se slovesa – holandština

cms/verbs-webp/91906251.webp
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
volat
Chlapec volá tak nahlas, jak může.
cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
zapsat
Musíte si zapsat heslo!
cms/verbs-webp/84365550.webp
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
přepravit
Nákladní vůz přepravuje zboží.
cms/verbs-webp/112755134.webp
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
volat
Může volat pouze během své obědové pauzy.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controleren
De tandarts controleert de tanden.
kontrolovat
Zubní lékař kontroluje zuby.
cms/verbs-webp/116835795.webp
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
dorazit
Mnoho lidí dorazí na dovolenou obytným automobilem.
cms/verbs-webp/120801514.webp
missen
Ik zal je zo erg missen!
stýskat se
Bude mi po tobě tak stýskat!
cms/verbs-webp/67880049.webp
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
pustit
Nesmíš pustit úchyt!
cms/verbs-webp/9435922.webp
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
přiblížit se
Slimáci se k sobě přibližují.
cms/verbs-webp/36190839.webp
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
bojovat
Hasiči bojují s ohněm ze vzduchu.
cms/verbs-webp/61162540.webp
activeren
De rook activeerde het alarm.
spustit
Kouř spustil poplach.
cms/verbs-webp/70624964.webp
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
bavit se
Na lunaparku jsme se skvěle bavili!