Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands

achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
loop stadig
Die horlosie loop ’n paar minute agter.

beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
bestuur
Wie bestuur die geld in jou gesin?

betalen
Ze betaalde met een creditcard.
betaal
Sy het met ’n kredietkaart betaal.

sterven
Veel mensen sterven in films.
sterf
Baie mense sterf in flieks.

beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
beskryf
Hoe kan mens kleure beskryf?

creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
skep
Wie het die Aarde geskep?

bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
dien
Die sjef dien ons vandag self.

stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
stop
Jy moet by die rooi lig stop.

liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
lê
Die kinders lê saam in die gras.

teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
teruggaan
Hy kan nie alleen teruggaan nie.

de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
terugvind
Ek kan my weg nie terugvind nie.
