Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
voorberei
Sy het vir hom groot vreugde voorbereid.
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
beteken
Wat beteken hierdie wapenskild op die vloer?
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
luister na
Die kinders luister graag na haar stories.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
wakker word
Hy het pas wakker geword.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
stel voor
Die vrou stel iets aan haar vriendin voor.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
stel voor
Hy stel sy nuwe vriendin aan sy ouers voor.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
teruggee
Die onderwyser gee die opstelle terug aan die studente.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
veg
Die atlete veg teen mekaar.
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
verbind wees
Alle lande op Aarde is verbind.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
verwyder
Die graafmasjien verwyder die grond.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
verwys
Die onderwyser verwys na die voorbeeld op die bord.