Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/44848458.webp
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
stop
Jy moet by die rooi lig stop.
cms/verbs-webp/115224969.webp
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
vergewe
Ek vergewe hom sy skulde.
cms/verbs-webp/10206394.webp
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
verduur
Sy kan die pyn skaars verduur!
cms/verbs-webp/128159501.webp
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
meng
Verskeie bestanddele moet gemeng word.
cms/verbs-webp/109766229.webp
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
voel
Hy voel dikwels alleen.
cms/verbs-webp/58292283.webp
eisen
Hij eist compensatie.
eis
Hy eis vergoeding.
cms/verbs-webp/77581051.webp
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
aanbied
Wat bied jy my aan vir my vis?
cms/verbs-webp/41019722.webp
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
ry huis toe
Na inkopies doen, ry die twee huis toe.
cms/verbs-webp/47241989.webp
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
opsoek
Wat jy nie weet nie, moet jy opsoek.
cms/verbs-webp/118026524.webp
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
ontvang
Ek kan baie vinnige internet ontvang.
cms/verbs-webp/47737573.webp
geïnteresseerd zijn
Ons kind is erg geïnteresseerd in muziek.
belangstel
Ons kind stel baie belang in musiek.
cms/verbs-webp/117284953.webp
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
uitsoek
Sy soek ’n nuwe sonbril uit.