Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands

stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
stop
Jy moet by die rooi lig stop.

vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
vergewe
Ek vergewe hom sy skulde.

verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
verduur
Sy kan die pyn skaars verduur!

mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
meng
Verskeie bestanddele moet gemeng word.

voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
voel
Hy voel dikwels alleen.

eisen
Hij eist compensatie.
eis
Hy eis vergoeding.

aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
aanbied
Wat bied jy my aan vir my vis?

naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
ry huis toe
Na inkopies doen, ry die twee huis toe.

opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
opsoek
Wat jy nie weet nie, moet jy opsoek.

ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
ontvang
Ek kan baie vinnige internet ontvang.

geïnteresseerd zijn
Ons kind is erg geïnteresseerd in muziek.
belangstel
Ons kind stel baie belang in musiek.
