Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/60395424.webp
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
saltellare
Il bambino salta felicemente in giro.
cms/verbs-webp/125088246.webp
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
imitare
Il bambino imita un aereo.
cms/verbs-webp/90321809.webp
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
spendere soldi
Dobbiamo spendere molti soldi per le riparazioni.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controleren
De tandarts controleert de tanden.
controllare
Il dentista controlla i denti.
cms/verbs-webp/123546660.webp
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
controllare
Il meccanico controlla le funzioni dell’auto.
cms/verbs-webp/75001292.webp
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
partire
Quando il semaforo ha cambiato, le auto sono partite.
cms/verbs-webp/92266224.webp
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
spegnere
Lei spegne l’elettricità.
cms/verbs-webp/99196480.webp
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parcheggiare
Le auto sono parcheggiate nel garage sotterraneo.
cms/verbs-webp/61575526.webp
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
fare spazio
Molte vecchie case devono fare spazio per quelle nuove.
cms/verbs-webp/96571673.webp
schilderen
Hij schildert de muur wit.
dipingere
Lui sta dipingendo la parete di bianco.
cms/verbs-webp/102136622.webp
trekken
Hij trekt de slee.
tirare
Lui tira la slitta.
cms/verbs-webp/31726420.webp
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
rivolgersi
Si rivolgono l’uno all’altro.