Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/108286904.webp
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
saufen
Die Kühe saufen Wasser am Fluss.
cms/verbs-webp/57574620.webp
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
austragen
Unsere Tochter trägt in den Ferien Zeitungen aus.
cms/verbs-webp/117311654.webp
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
tragen
Sie tragen ihre Kinder auf dem Rücken.
cms/verbs-webp/74036127.webp
missen
De man heeft zijn trein gemist.
verpassen
Der Mann hat seinen Zug verpasst.
cms/verbs-webp/32180347.webp
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
auseinandernehmen
Unser Sohn nimmt alles auseinander!
cms/verbs-webp/104820474.webp
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
klingen
Ihre Stimme klingt phantastisch!
cms/verbs-webp/117490230.webp
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
bestellen
Sie bestellt sich ein Frühstück.
cms/verbs-webp/68841225.webp
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
verstehen
Ich kann dich nicht verstehen!
cms/verbs-webp/61389443.webp
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
liegen
Die Kinder liegen zusammen im Gras.
cms/verbs-webp/71883595.webp
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignorieren
Das Kind ignoriert die Worte seiner Mutter.
cms/verbs-webp/114593953.webp
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
sich begegnen
Sie sind sich zuerst im Internet begegnet.
cms/verbs-webp/111750432.webp
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
hängen
Beide hängen an einem Ast.