Ordforråd
Lær verb – nederlandsk

langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
stikke innom
Legene stikker innom pasienten hver dag.

rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
ri
De rir så fort de kan.

loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
slippe
Du må ikke slippe grepet!

uitzetten
Ze zet de wekker uit.
slå av
Hun slår av vekkerklokken.

draaien
Je mag naar links draaien.
svinge
Du kan svinge til venstre.

leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
lede
Den mest erfarne turgåeren leder alltid.

voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
foreslå
Kvinnen foreslår noe til venninnen sin.

bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
besøke
Hun besøker Paris.

aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
ankomme
Mange mennesker ankommer med bobil på ferie.

gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
kaste
Han kaster sint datamaskinen sin på gulvet.

rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
løpe
Hun løper hver morgen på stranden.
