Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/123648488.webp
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
stikke innom
Legene stikker innom pasienten hver dag.
cms/verbs-webp/92207564.webp
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
ri
De rir så fort de kan.
cms/verbs-webp/67880049.webp
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
slippe
Du må ikke slippe grepet!
cms/verbs-webp/109588921.webp
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
slå av
Hun slår av vekkerklokken.
cms/verbs-webp/94193521.webp
draaien
Je mag naar links draaien.
svinge
Du kan svinge til venstre.
cms/verbs-webp/75487437.webp
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
lede
Den mest erfarne turgåeren leder alltid.
cms/verbs-webp/34725682.webp
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
foreslå
Kvinnen foreslår noe til venninnen sin.
cms/verbs-webp/118003321.webp
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
besøke
Hun besøker Paris.
cms/verbs-webp/116835795.webp
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
ankomme
Mange mennesker ankommer med bobil på ferie.
cms/verbs-webp/44269155.webp
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
kaste
Han kaster sint datamaskinen sin på gulvet.
cms/verbs-webp/63645950.webp
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
løpe
Hun løper hver morgen på stranden.
cms/verbs-webp/5161747.webp
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
fjerne
Gravemaskinen fjerner jorden.