Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/92145325.webp
kijken
Ze kijkt door een gat.
se
Hun ser gjennom et hull.
cms/verbs-webp/97119641.webp
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
male
Bilen males blå.
cms/verbs-webp/108286904.webp
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
drikke
Kuene drikker vann fra elven.
cms/verbs-webp/86996301.webp
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
forsvare
De to vennene vil alltid forsvare hverandre.
cms/verbs-webp/109434478.webp
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
åpne
Festivalen ble åpnet med fyrverkeri.
cms/verbs-webp/61826744.webp
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
skape
Hvem skapte Jorden?
cms/verbs-webp/30314729.webp
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
slutte
Jeg vil slutte å røyke fra nå av!
cms/verbs-webp/85860114.webp
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
gå videre
Du kan ikke gå videre på dette punktet.
cms/verbs-webp/74119884.webp
openen
Het kind opent zijn cadeau.
åpne
Barnet åpner gaven sin.
cms/verbs-webp/99207030.webp
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
ankomme
Flyet har ankommet i tide.
cms/verbs-webp/116358232.webp
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
skje
Noe dårlig har skjedd.
cms/verbs-webp/100466065.webp
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
utelate
Du kan utelate sukkeret i teen.