Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/9435922.webp
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
komme nærmere
Sneglene kommer nærmere hverandre.
cms/verbs-webp/120655636.webp
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
oppdatere
Nå til dags må man stadig oppdatere kunnskapen sin.
cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
skrive ned
Du må skrive ned passordet!
cms/verbs-webp/101765009.webp
begeleiden
De hond begeleidt hen.
følge
Hunden følger dem.
cms/verbs-webp/112407953.webp
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
lytte
Hun lytter og hører en lyd.
cms/verbs-webp/83661912.webp
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
forberede
De forbereder et deilig måltid.
cms/verbs-webp/120220195.webp
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
selge
Handlerne selger mange varer.
cms/verbs-webp/108556805.webp
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
se ned
Jeg kunne se ned på stranden fra vinduet.
cms/verbs-webp/84850955.webp
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
endre
Mye har endret seg på grunn av klimaendringer.
cms/verbs-webp/102853224.webp
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
bringe sammen
Språkkurset bringer studenter fra hele verden sammen.
cms/verbs-webp/35862456.webp
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
begynne
Et nytt liv begynner med ekteskap.
cms/verbs-webp/77581051.webp
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
tilby
Hva tilbyr du meg for fisken min?