Rječnik
Naučite glagole – nizozemski

vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
obnoviti
Slikar želi obnoviti boju zida.

zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
tražiti
Policija traži počinitelja.

uitsluiten
De groep sluit hem uit.
isključiti
Grupa ga isključuje.

rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
voziti
Djeca vole voziti bicikle ili romobile.

opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
javiti se
Tko zna nešto može se javiti u razredu.

verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
prodavati
Trgovci prodaju mnoge proizvode.

bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
dostaviti
On dostavlja pizze kućama.

boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
ljutiti se
Ona se ljuti jer on stalno hrče.

achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
pomaknuti
Uskoro ćemo morati sat pomaknuti unazad.

beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
zaštititi
Djecu treba zaštititi.

imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
oponašati
Dijete oponaša avion.
