Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/106851532.webp
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
mirarse
Se miraron durante mucho tiempo.
cms/verbs-webp/79322446.webp
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
presentar
Él está presentando a su nueva novia a sus padres.
cms/verbs-webp/94482705.webp
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
traducir
Él puede traducir entre seis idiomas.
cms/verbs-webp/68761504.webp
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
revisar
El dentista revisa la dentición del paciente.
cms/verbs-webp/129945570.webp
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
responder
Ella respondió con una pregunta.
cms/verbs-webp/122638846.webp
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
dejar
La sorpresa la dejó sin palabras.
cms/verbs-webp/1422019.webp
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
repetir
Mi loro puede repetir mi nombre.
cms/verbs-webp/62175833.webp
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
descubrir
Los marineros han descubierto una nueva tierra.
cms/verbs-webp/19351700.webp
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
proporcionar
Se proporcionan sillas de playa para los veraneantes.
cms/verbs-webp/122707548.webp
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
estar
El montañista está en la cima.
cms/verbs-webp/90032573.webp
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
saber
Los niños son muy curiosos y ya saben mucho.
cms/verbs-webp/68435277.webp
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
venir
¡Me alegra que hayas venido!