Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés

elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
mirarse
Se miraron durante mucho tiempo.

voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
presentar
Él está presentando a su nueva novia a sus padres.

vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
traducir
Él puede traducir entre seis idiomas.

controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
revisar
El dentista revisa la dentición del paciente.

antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
responder
Ella respondió con una pregunta.

sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
dejar
La sorpresa la dejó sin palabras.

herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
repetir
Mi loro puede repetir mi nombre.

ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
descubrir
Los marineros han descubierto una nueva tierra.

voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
proporcionar
Se proporcionan sillas de playa para los veraneantes.

staan
De bergbeklimmer staat op de top.
estar
El montañista está en la cima.

weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
saber
Los niños son muy curiosos y ya saben mucho.
