Vortprovizo
Lernu Verbojn – nederlanda
wachten
Ze wacht op de bus.
atendi
Ŝi atendas la buson.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
luigi
Li luigas sian domon.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
aparteni
Mia edzino apartenas al mi.
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
disigi
Nia filo ĉion disigas!
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
kunpensi
Vi devas kunpensi en kartludoj.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
ripari
Li volis ripari la kabelon.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
negi
Hodiaŭ multe negis.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
serĉi
Kion vi ne scias, vi devas serĉi.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
pendi
Glacikonoj pendas de la tegmento.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
malŝalti
Ŝi malŝaltas la elektron.
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
lasi tra
Ĉu oni devus lasi rifugintojn tra la limoj?