Ordliste
Lær verber – Nederlandsk

inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
logge ind
Du skal logge ind med dit kodeord.

genieten
Ze geniet van het leven.
nyde
Hun nyder livet.

uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
brede ud
Han breder sine arme ud.

ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
opdage
Sømændene har opdaget et nyt land.

ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
fyre
Chefen har fyret ham.

trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
trække ud
Hvordan skal han trække den store fisk op?

aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
ankomme
Han ankom lige til tiden.

rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
springe rundt
Barnet springer glædeligt rundt.

zingen
De kinderen zingen een lied.
synge
Børnene synger en sang.

duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
skubbe
Sygeplejersken skubber patienten i en kørestol.

uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
udøve
Hun udøver et usædvanligt erhverv.
