Ordliste
Lær verber – Nederlandsk

verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
udleje
Han udlejer sit hus.

vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
kæmpe
Atleterne kæmper mod hinanden.

sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
gøre målløs
Overraskelsen gør hende målløs.

sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
sende
Varerne bliver sendt til mig i en pakke.

dragen
De ezel draagt een zware last.
bære
Æslet bærer en tung byrde.

updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
opdatere
Nu om dage skal man konstant opdatere sin viden.

bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
bekæmpe
Brandvæsenet bekæmper ilden fra luften.

creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
skabe
Han har skabt en model for huset.

verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.
blive besejret
Den svagere hund bliver besejret i kampen.

zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
være
Du bør ikke være trist!

parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkere
Bilerne er parkeret i parkeringskælderen.
