Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/58477450.webp
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
udleje
Han udlejer sit hus.
cms/verbs-webp/81025050.webp
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
kæmpe
Atleterne kæmper mod hinanden.
cms/verbs-webp/122638846.webp
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
gøre målløs
Overraskelsen gør hende målløs.
cms/verbs-webp/65840237.webp
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
sende
Varerne bliver sendt til mig i en pakke.
cms/verbs-webp/89025699.webp
dragen
De ezel draagt een zware last.
bære
Æslet bærer en tung byrde.
cms/verbs-webp/120655636.webp
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
opdatere
Nu om dage skal man konstant opdatere sin viden.
cms/verbs-webp/36190839.webp
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
bekæmpe
Brandvæsenet bekæmper ilden fra luften.
cms/verbs-webp/110233879.webp
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
skabe
Han har skabt en model for huset.
cms/verbs-webp/34664790.webp
verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.
blive besejret
Den svagere hund bliver besejret i kampen.
cms/verbs-webp/75195383.webp
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
være
Du bør ikke være trist!
cms/verbs-webp/99196480.webp
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkere
Bilerne er parkeret i parkeringskælderen.
cms/verbs-webp/100634207.webp
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
forklare
Hun forklarer ham, hvordan apparatet fungerer.