Slovník
Naučte se slovesa – holandština

terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
odvézt
Matka odveze dceru domů.

verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
ztratit
Počkej, ztratil jsi peněženku!

zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
hledat
Policie hledá pachatele.

achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
běžet za
Matka běží za svým synem.

loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
pustit
Nesmíš pustit úchyt!

de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
najít cestu zpět
Nemohu najít cestu zpět.

opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
zapsat
Chce si zapsat svůj podnikatelský nápad.

zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
plavat
Pravidelně plave.

controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
kontrolovat
Mechanik kontroluje funkce auta.

langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
zastavit se
Lékaři se u pacienta zastavují každý den.

gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
používat
I malé děti používají tablety.
