Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands

verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
verlaat
Baie Engelse mense wou die EU verlaat.

ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
ontsyfer
Hy ontsyfer die klein druk met ’n vergrootglas.

testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
toets
Die motor word in die werkswinkel getoets.

volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
volg
My hond volg my as ek hardloop.

verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
uitsien na
Kinders sien altyd uit na sneeu.

duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
sien duidelik
Ek kan alles duidelik sien deur my nuwe brille.

uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
skakel af
Sy skakel die elektrisiteit af.

uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
uitsoek
Sy soek ’n nuwe sonbril uit.

antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
antwoord
Sy antwoord altyd eerste.

veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
veroorsaak
Alkohol kan kopseer veroorsaak.

verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
verkoop
Die handelaars verkoop baie goedere.
