Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/129300323.webp
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
berøre
Bonden berører plantene sine.
cms/verbs-webp/11579442.webp
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
kaste til
De kaster ballen til hverandre.
cms/verbs-webp/106665920.webp
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
føle
Moren føler stor kjærlighet for barnet sitt.
cms/verbs-webp/85860114.webp
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
gå videre
Du kan ikke gå videre på dette punktet.
cms/verbs-webp/108991637.webp
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
unngå
Hun unngår kollegaen sin.
cms/verbs-webp/100434930.webp
eindigen
De route eindigt hier.
ende
Ruten ender her.
cms/verbs-webp/43532627.webp
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
bo
De bor i en delt leilighet.
cms/verbs-webp/73880931.webp
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
vaske
Arbeideren vasker vinduet.
cms/verbs-webp/100649547.webp
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
ansette
Søkeren ble ansatt.
cms/verbs-webp/119379907.webp
raden
Je moet raden wie ik ben!
gjette
Du må gjette hvem jeg er!
cms/verbs-webp/99951744.webp
verdenken
Hij verdenkt dat het zijn vriendin is.
mistenke
Han mistenker at det er kjæresten hans.
cms/verbs-webp/118765727.webp
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
belaste
Kontorarbeid belaster henne mye.